• Persoonlijk advies
  • Alle kennis in huis
  • Complete oplossingen
  • Volledig ontzorgd
  • klantwaardering 9,1
Prinsjesdag 2022

Wat zijn de fiscale veranderingen voor bedrijven en ondernemers?

Op de derde dinsdag van september, beter bekend als 'Prinsjesdag', presenteert het kabinet haar plannen voor het komend jaar. Die staan geschreven in de Miljoenennota. De verwachte inkomsten en uitgaven die daarbij horen, staan in de Rijksbegroting. Deze twee documenten zitten in het welbekende koffertje die de minister van Financiën aan de Tweede Kamer overhandigt.

Door het heffen van belastingen en het toekennen van toeslagen, heeft het kabinet invloed op de financiën van het Rijk. Daarom worden de plannen vertaald naar een Belastingplan. Graag geven we hierbij een toelichting op de veranderingen die ondernemers komend jaar kunnen verwachten en tips om hier nu al op in te spelen.

Wat zijn de fiscale veranderingen voor bedrijven en ondernemers?

Arbeid en vermogen meer in balans brengen

Er worden meerdere maatregelen voorgesteld om de belastingdruk op arbeid en vermogen structureel meer in balans te brengen. Samen leveren deze maatregelen € 5 miljard op met als doel het verkleinen van de verschillen in belastingdruk tussen werknemers en ondernemers, die de afgelopen jaren meer uit elkaar is gegroeid. Het gaat om de volgende wijzigingen: 

  • Zelfstandigenaftrek sneller afgebouwd
    De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2023 nog € 5.030,-. Deze wordt afgebouwd tot € 900,- in 2027. Deze afbouw gaat veel sneller dan eerder was bepaald. Dit is volgens het kabinet nodig om het fiscale verschil tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen. Zelfstandigen worden hiervoor wel gecompenseerd via een verhoging van de arbeidskorting.
     
  • Winstgrens vennootschapsbelasting omlaag
    Hoewel de winstgrens in 2022 nog verhoogd werd, wil het Kabinet deze verhoging nu weer terugdraaien. Door de winstgrens te verlagen gaan namelijk meer bedrijven, meer belasting betalen. Met deze maatregel kan het kabinet meer geld ophalen om te besteden aan het verlagen van de lasten voor burgers en zo de koopkracht te vergroten. Vanaf 2023 gaat de schijfgrens naar een jaarwinst van € 200.000,-. Bovendien gaat het tarief van de vennootschapsbelasting (vpb) voor de eerste schijf (onder de € 200.000,-) van 15% naar 19%. De tweede schijf (vanaf € 200.000,-) blijft 25,8%.
     

  • Doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon DGA vervalt
    Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) met een aanmerkelijk aandelenbelang van 5% of groter, moet voor de loonaangifte een salaris opgeven dat 'gebruikelijk' is voor zijn werkzaamheden. De DGA mag het gebruikelijk loon nu nog vaststellen op 75% van het salaris van de werknemer in de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dit is de doelmatigheidsmarge. Er werd al besloten dat deze marge verhoogd zou worden naar 85%. Maar nu gaat de marge helemaal verdwijnen, waarschijnlijk al vanaf 2023. Dit betekent dat de DGA straks meer belasting moet gaan betalen bij de inkomstenbelasting.
     
    De speciale regeling voor DGA's van een innovatieve start-up, waarbij het gebruikelijk loon maximaal 3 jaar lang op het wettelijk minimumloon kon worden vastgesteld, komt per 1 januari 2023 helemaal te vervallen.

Vermogen, wonen en verhuren

  • In box 3 wordt het heffingsvrij vermogen verhoogd naar € 57.000. Bij een groter vermogen dient er meer belasting te worden betaald en het tarief van die belasting wordt elk jaar iets verhoogd tot 34% in 2025.
     
  • Het algemene tarief in de overdrachtsbelasting wordt verhoogd van 8% naar 10,4% voor woningbeleggers of bij de aanschaf van een bedrijfspand.  
     
  • De leegwaarderatio voor verhuurde of verpachte woningen is een oplopend percentage van de WOZ-waarde van de woning. Deze ligt in 2022 tussen 45% en 85% en wordt vanaf 2023 geactualiseerd, waarbij het hoogste percentage 100% wordt! Wanneer een woning wordt verhuurd of verpacht, dan is dit een vermogensbestanddeel in box 3. U past dan de leegwaarderatio toe om de waarde van de woning te bepalen. Dat geldt ook voor de waardebepaling van een geërfde of geschonken verhuurde (of verpachte) woning. Tijdelijke (ver)huurcontracten worden uitgesloten van toepassing. Dit betekent feitelijk dat de leegwaarderatio voor tijdelijk verhuurde woningen wordt afgeschaft. Daarnaast wordt bij de verhuur aan verbonden partijen (bijvoorbeeld aan uw kind) het percentage van de leegwaarderatio vastgesteld op het hoogste percentage (100%). Dat geldt ook bij een jaarlijkse huurprijs van meer dan 5% ten opzichte van de WOZ-waarde. Ook voor deze situaties betekent dit feitelijk afschaffing van de leegwaarderatio. In al deze gevallen waardeert u de verhuurde woning op de WOZ-waarde. 

  • Heeft u meer dan 50 huurwoningen in uw bezit? Dan betaald u in de meeste gevallen een verhuurderheffing. Het kabinet wil deze heffing afschaffen per 1 januari 2023.
     
  • Vanaf 1 januari 2023 wordt het btw-nultarief van toepassing op de levering en installatie van zonnepanelen in de onmiddellijke nabijheid van of op woningen. De bestemming van de zonnepanelen is doorslaggevend, waardoor het nultarief ook kan worden benut door woningcorporaties en particuliere verhuurders die zonnepanelen laten plaatsen op hun woningen. De verhuur van zonnepanelen op woningen valt overigens niet onder het btw-nultarief.
     

  • De schenkingsvrijstelling eigen woning, ookwel 'jubelton' genoemd, wordt in 2023 verlaagd naar € 27.231,- en per 2024 helemaal afgeschaft.

Tip: de eigenwoningschenking kon over meerdere jaren gespreid worden. Het kabinet wil een spreiding toe blijven staan, zolang het laatste deel in 2023 wordt geschonken. Dat betekent dat als u in 2022 een deelschenking doet, dan mag u deze in 2023 nog aanvullen tot het huidige vrijstellingsbedrag van € 106.671,-.

Afschaffing middelingsregeling

Vanaf 2023 wordt de middelingsregeling afgeschaft. Deze regeling kan u van pas komen als u de afgelopen jaren met inkomensschommelingen te maken hebt gehad. Die wisselende inkomsten kunnen in het ene jaar zwaar belast zijn en in het andere jaar juist niet. De middelingsregeling matigt de belastingheffing over deze inkomsten door de inkomsten gelijkmatig over de jaren te verdelen. U telt uw belastbare inkomens van drie aaneengesloten jaren op en deelt het totaal door drie. Over dit gemiddelde inkomen herrekent u per jaar de verschuldigde inkomstenbelasting. Bent u over de drie jaren meer dan € 545 minder belasting verschuldigd dan zonder de middeling, dan kunt u deze belasting terugvragen bij de Belastingdienst. De laatste jaren waarover u nog kunt middelen zijn 2022, 2023 en 2024.

Box 2-tarief wordt opgesplitst

Vanaf 2024 wil het kabinet twee tariefschijven gaan invoeren in box 2 van de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld voor dividenden. De eerste schijf met een tarief van 24,5% geldt voor inkomsten tot € 67.000,- en daarboven zal een tarief van 31% gaan gelden. Heeft u een fiscaal partner? Dan geldt het lage box-2-tarief tot € 134.000,- bij een gelijke verdeling tussen u en uw partner.

Tip: Het huidige box-2-tarief is 26,9%. Bent u van plan om een dividenduitkering te doen? Dan is het tarief van belang voor uw keuze om dat nog in 2022 of 2023 te doen, of om dit uit te stellen naar 2024 of later. Bij een dividenduitkering tot € 67.000,- (partners: € 134.000,-) heeft u immers vanaf 2024 een tariefvoordeel van 2,4%, daarboven juist een nadeel van 4,1%.

Excessief lenen beperkt
De nieuwe tarieven zijn ook van belang voor de gevolgen van de ‘Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap’. Deze wet is vorige week aangenomen door de Tweede Kamer. Daarbij wordt in beginsel het lenen bij de eigen BV boven een bedrag van € 700.000,- vanaf 2023 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (box-2-inkomen).

Tip: zijn uw schulden bij uw eigen BV hoger dan 7 ton? Zorg er dan voor dat u deze schuldenlast uiterlijk eind 2023 (het eerste meetmoment van de Belastingdienst) heeft teruggebracht tot maximaal € 700.000,-.

Box 2 en 3 gaan ook meetellen voor de algemene heffingskorting
Het kabinet stelt voor om niet alleen het box 1-inkomen te laten meetellen voor de afbouw van de algemene heffingskorting, maar ook het inkomen uit box 2 en box 3. Belastingbetalers met een laag of nihil inkomen uit werk en woning, maar met daarnaast een hoog inkomen uit aanmerkelijk belang en/of sparen en beleggen gaan door deze maatregel meer belasting betalen.

Box 3-tarief stapsgewijs omhoog
Mensen met veel vermogen gaan juist meer betalen. In box 3 betaald u belasting over uw vermogen, zoals spaargeld, aandelen of een tweede woning. Zo hoeft u de werkelijke inkomsten, bijvoorbeeld de rente op uw spaargeld, het dividend op uw aandelen of de huuropbrengst, niet als inkomen in box 1 aan te geven. De regering wil het belastingstelsel, en daarmee box 3, gaan hervormen vanaf 2026. Tot die tijd geldt de overbruggingswet, wat een een stapsgewijze verhoging van het tarief meebrengt van 1% per jaar tot 34% in 2025. In 2023 wordt het tarief daarom 32%.

Het heffingsvrije vermogen in box 3 is het deel van het vermogen waarover u geen belasting hoeft te betalen. Het bedrag wordt in 2023 verhoogd naar € 57.000 per belastingplichtige (fiscale partners: € 114.000). Dit is aanzienlijk lager dan in het coalitieakkoord stond.

Einde opbouw oudedagreserve om belastinguitstel tegen te gaan

Ondernemers kunnen op dit moment met de oudedagreserve nog een deel van de winst reserveren voor een oudedagvoorziening. Hierdoor betalen ze in het jaar dat ze dit deel van de winst reserveren, minder inkomstenbelasting. Wordt de oudedagsreserve niet gebruikt voor het aankopen van een lijfrente die aan de voorwaarden voldoet? Dan moeten ondernemers de inkomstenbelasting alsnog betalen. Dit is dan een vorm van belastinguitstel. Het afschaffen van de oudedagsreserve voorkomt dat mensen van belastinguitstel gebruik maken, zonder dat ze daadwerkelijk een oudedagsvoorziening krijgen.

In 2022 mag u als ondernemer nog maximaal € 9.632,- van de belastbare winst (onder voorwaarden) aan uw oudedagsreserve toevoegen. In 2023 is dit helemaal niet meer mogelijk. U kunt dan geen toevoegingen meer doen aan uw oudedagsreserve. Wel mag u de reserve die u op 31 december 2022 heeft, afwikkelen volgens de huidige regels. 

Oudedagsverplichting omzetten in oudedagslijfrente

Had u eerder een 'pensioen in eigen beheer' en heeft u ervoor gekozen deze om te zetten in een oudedagsverplichting (ODV)? Dan wordt het mogelijk om de verplichting om te zetten in een (tijdelijke) oudedagslijfrente. Bij die omzetting moeten dan wel de regels van het lijfrenteregime worden gevolgd. Een van die regels is dat de lijfrente-uitkeringen uiterlijk ingaan in het vijfde jaar na uw AOW-leeftijd. Maar deze regel roept in de praktijk ‘ongewenste situaties’ op. Daarom wordt het nu goedgekeurd om voor de omzetting van een ODV in een oudedagslijfrente, deze specifieke regel overboord te zetten. Dit op voorwaarde dat de lijfrente-uitkering direct ingaat en dat er een verzoek aan de inspecteur van de Belastingdienst wordt gedaan. Deze goedkeuring is op Prinsjesdag omgezet in een wettelijke regeling.


Wijzigingen die voor de bedrijfsvoering van belang zijn

 

Prijsplafond energierekening

Er komt een prijsplafond voor gas en elektra tot eind 2023. Het prijsplafond geldt voor burgers, maar ook voor ondernemers die recht hebben op vermindering van de energiebelasting. Er volgt nog een specifiek pakket voor de ondersteuning van energie-intensieve mkb-bedrijven, zoals bakkers.

Het prijsplafond komt voorlopig te liggen bij maximaal € 1,50 per kuub gas en € 0,70 voor elektra. De maatregel gaat gelden vanaf 1 januari. Het verlaagde tarief gaat gelden voor een gemiddeld gebruik. Voor het verbruik geldt de marktprijs. De overheid betaalt het verschil tussen het verlaagde tarief en de marktprijs aan de energieleveranciers. 

Vrijstelling bpm voor bestelauto’s vanaf 2025 afgeschaft

Onder de huidige regelgeving hoeven ondernemers geen bpm te betalen, wanneer de gekochte bestelauto voor minstens 10% zakelijk wordt gebruikt. Het kabinet stelt voor om deze ondernemersvrijstelling met ingang van 2025 af te schaffen.

Heffingsgrondslag o.b.v. CO2-uitstoot moet aanschaf elektrische bestelauto stimuleren
Daarnaast wordt de heffingsgrondslag afhankelijk van de CO2-uitstoot. Dit geldt nu al voor personenauto’s. Door deze nieuwe grondslag blijft de bpm voor emissieloze bestelauto’s nihil. Het kabinet verwacht dat ondernemers hierdoor eerder zullen overstappen op elektrisch rijden. Ook het feit dat ondernemers gebruik kunnen maken van de milieu-investeringsaftrek (MIA) voor de aanschaf van emissieloze bestelauto's, moet daartoe een stimulans zijn.

Motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's wordt verhoogd 
In samenhang met deze maatregelen gaat de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s in 2025 met 15% omhoog en in 2026 nog eens met 6,96% omhoog.

Tip: tot en met 2025 kunt u maximaal € 5.000 subsidie krijgen bij de aankoop van een nieuwe elektrische bestelauto.

Meer budget voor milieuvriendelijke en energiebesparende investeringsaftrek

De milieu-investeringsaftrek (MIA) biedt ondernemers de mogelijkheid om de belastbare winst te verlagen. Tot 45% van het investeringsbedrag mag in mindering worden gebracht op de winst. Het percentage van de aftrek is afhankelijk van de milieu-effecten en de gangbaarheid van het bedrijfsmiddel.

De energie-investeringsaftrek (EIA) biedt ondernemers hetzelfde voordeel. In 2022 mag er tot 45,5% van de investering (aanschaf- en voorbrengingskosten) in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie in mindering gebracht worden op de winst. 

De budgetten voor MIA en de EIA worden vanaf 2023 structureel verhoogd met respectievelijk € 50 miljoenen € 100 miljoen per jaar. Om er gebruik van te kunnen maken, moet er binnen 3 maanden na de investering een melding bij RVO.nl gemaakt worden.

Aanscherping CO2-heffing industrie

De CO2-heffing industrie wordt aangescherpt. Deze heffing kent nu nog een vrijstelling voor een deel van de uitstoot, maar die zal worden afgebouwd tot 2030. Ook wordt met ingang van 1 januari 2023 een CO2-minimumheffing voor de industrie ingevoerd. Hierbij zal sprake zijn van een bodemprijs en een oplopende CO2-minimumprijs (dus geen vlakke heffing). Deze heffing geldt dan voor dezelfde belastingplichtigen als voor de CO2-heffing industrie. Doordat minder uitstoot leidt tot minder heffing, wordt de industrie zo gestimuleerd om duurzamer te worden.

Tariefsverhoging frisdrankbelasting

Het belastingstarief op alcoholvrije dranken wordt verhoogd van € 8,83 naar € 20,20 per hectoliter vanaf 1 januari 2023. Een jaar later gaat het tarief opnieuw omhoog naar € 22,67. Vanaf 2024 wordt mineraalwater dan wel uitgezonderd van deze verbruiksbelasting.

Bieraccijns stijgt mee
Daarbij moet de laagste bieraccijns, voor lichte bieren, minimaal hetzelfde tarief zijn als voor frisdrank. Vandaar dat is voorgesteld om dit tarief met dezelfde bedragen te verhogen als het tarief op alcoholvrije dranken.

Lachgas belast tegen 21% btw

Lachgas wordt uitgesloten van de toepassing van het verlaagde btw-tarief (9%). Dit geldt zowel voor lachgas dat wordt gebruikt als partydrug, als voor lachgas dat wordt gebruikt voor de bereiding van producten (zoals slagroom). Alleen voor medische toepassingen wordt een uitzondering gemaakt.


Wijzigingen voor werkgevers

 

Stijging minimumloon

Volgend jaar gaat het wettelijk minimumloon in één keer met 10,15% omhoog. Aanvankelijk was voorgesteld om een verhoging van 7,5% stapsgewijs in 3 jaar tijd door te voeren, maar dit is nu van de baan. Ook de loongerelateerde uitkeringen en het maximumdagloon worden met 10,15% verhoogd.

Nieuw: minimum uurloon voor fulltimers
Kort voor het zomerreces nam de Tweede Kamer in dit verband nog een ander wetsvoorstel aan: vanaf 1 januari 2024 wordt ook een minimum uurloon ingevoerd. Mensen met een fulltime werkweek, werken momenteel 36 of 38 uur. Maar bij veel werkgevers is fulltime nog 40 uur. Het minimumloon voor deze werknemers verschilt echter niet, waardoor iemand die 40 uur fulltime werkt een lager uurloon heeft dan een werknemer die minder uren fulltime werkt. De werknemers die meer dan 36 uur fulltime werken, gaan er door de invoering van het minimum uurloon op vooruit.

Werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) daalt iets

Meestal moeten werkgevers de werkgeversheffing ZVW over het loon van de werknemers betalen. Deze werkgeversheffing daalt per 2023 naar 6,68%. Uit de Macro Economische Verkenning 2023 blijkt verder dat het maximumbijdrageloon voor de ZVW in 2023 omhoog gaat naar € 66.952,- hierboven hoeft de werkgever geen heffing te betalen. Als de werknemer zelf opdraait voor de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, dan daalt het percentage naar 5,43% van het bijdrageloon.

Meer vrije ruimte in de werkkostenregeling

Het percentage van de vrije ruimte in de werkkostenregeling over de eerste € 400.000,- fiscale loonsom gaat omhoog met 0,22%. Daardoor gaat het percentage van 1,7% naar 1,92%. Boven de € 400.000,- blijft het percentage 1,18%.

Inflatiecorrectie onbelaste thuiswerkvergoeding 

Op Prinsjesdag is er geen extra verhoging voorgesteld voor de onbelaste thuiswerkvergoeding. Er vindt wel een inflatiecorrectie plaats, waardoor de vergoeding waarschijnlijk iets stijgt naar € 2,13.

Onbelaste reiskostenvergoeding stapsgewijs omhoog

Vanaf 1 januari 2023 gaat de maximale onbelaste reiskostenvergoeding omhoog van € 0,19 naar € 0,21 per kilometer. Vanaf 2024 gaat deze vergoeding verder omhoog naar maximaal € 0,22 per kilometer. De onbelaste reiskostenvergoeding is een gerichte vrijstelling en komt dus niet ten laste van de vrije ruimte. Aanvankelijk zou deze vergoeding pas in 2024 worden verhoogd, maar onder druk van de Tweede Kamer en vanwege de hoge brandstofprijzen gaat dit nu al per 1 januari 2023 gebeuren.

€ 125 miljoen per jaar extra voor opleiding via STAP-budget 

Om een toekomstbestendige arbeidsmarkt te realiseren, zet het kabinet sterk in op het thema Leven Lang Ontwikkelen. Om ook groepen te bereiken die nu minder scholing volgen, maakt het kabinet in totaal € 500 miljoen extra vrij tot 2026 via het STAP-budget. Dit budget is o.a. bestemd voor mensen die maximaal een mbo-diploma hebben op niveau 4 en daardoor kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt.

30%-regeling gemaximeerd en per jaar bepalen

U kunt aan werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland komen om te werken en die over specifieke deskundigheid beschikken, een onbelaste vergoeding van 30% van het loon geven. Momenteel zit er geen maximum op het loon waarover de onbelaste vergoeding berekend mag worden. Maar daarin komt vanaf 2024 verandering. Dan wordt de 30%-regeling gemaximeerd tot de norm van de Wet normering topinkomens, ook wel bekend als de Balkenendenorm. In 2022 bedraagt deze norm € 216.000,-.

Daarnaast wil het kabinet dat werkgevers per kalenderjaar een keuze maken of zij extraterritoriale kosten van werknemers uit het buitenland vergoeden op basis van de werkelijk gemaakte kosten of op basis van de 30%-regeling. Door de beperking tot de ‘Balkenendenorm’ kan het aantrekkelijker worden om de 30%-regeling en de regeling voor de werkelijke extraterritoriale kosten afwisselend toe te passen. Daarom wil het kabinet per 2023 expliciet maken dat de werkgever per kalenderjaar slechts één van beide regelingen mag toepassen. De gemaakte keuze moet blijken uit de eerste loonbetaling van ieder kalenderjaar. Er geldt wel een uitzondering voor de eerste vier maanden van tewerkstelling. De voorgestelde maatregel geldt voor alle extraterritoriale werknemers, dus voor zowel ingekomen als uitgezonden werknemers.

Heeft u medewerkers die het financieel zwaar hebben door de dalende koopkracht?

Lees dan hier welke maatregelen het kabinet hiervoor treft:
Wat zijn de fiscale veranderingen die particulieren kunnen verwachten?

 


Beeld: © Ministerie van Financiën - Martijn Beekman


Scroll naar boven